Goede
Vrijdag, de
vrijdag
vóór Pasen herdenkt de
Kerk dat
Jezus Christus werd gegeseld, aan het kruis genageld en stierf. Het
is de droevigste dag van het kerkelijk jaar in het algemeen en
van het Paastriduüm
in het bijzonder. Dat
is de periode die begint met de avondmis van Witte Donderdag en loopt
over
Goede Vrijdag, Stille Zaterdag tot
en met de vespers van Paaszondag.
In deze periode wordt het lijden, de dood en de verrijzenis van
Christus herdacht. Toch
spreekt de Kerk van ‘Goede' Vrijdag. Het woord ‘Goede’
herinnert er namelijk aan dat Jezus is gestorven om ons van onze
zonden te verlossen. Er zijn veel overeenkomsten tussen het
christelijke Pasen en het joodse Pesach. Op Goede Vrijdag wordt dit,
net als op Witte Donderdag, goed duidelijk. Tijdens Pesach slachtten
de joden een paaslam, om zich van dood en ellende te vrijwaren. Op
Goede Vrijdag is Jezus voor de christenen het paaslam: Hij is het Lam
Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.
Op
Goede Vrijdag 14 april om 15.00 u. is er
in de parochiekerk een bijzondere liturgische viering, het tijdstip
waarop Christus stierf. In de kerk is de godslamp gedoofd, ten teken
van de afwezigheid van het Lichaam van Christus in het tabernakel.
Het altaar is volledig kaal, dus ontdaan van kruis, kandelaren en
iedere verdere aankleding. De liturgische kleur is rood: een
verwijzing naar het lijden en het vergoten bloed van Christus. Lijden
en dood van Jezus Christus worden er drievoudig ‘verbeeld’: in de
dienst van het woord met een bezinning rond de zeven kuiswoorden,
in de kruishulde en in het ontvangen van de hostie in
een aansluitende communieviering.
Daarbij worden hosties gebruikt die tijdens de avondmis van Witte
Donderdag (Geluveld)
speciaal voor de communie op
Goede Vrijdag zijn geconsacreerd. Geen
eucharistie dus, want de Kerk acht het niet passend om op die dag
waarop zij het bloedig offer van Jezus herdenkt, dit onbloedig te
hernieuwen in het misoffer.
