Jozef
Nooit
van m'n leven
zou
ik durven dromen
aan
God een naam te geven.
Van
kindsbeen aan
is
mij geleerd om te geloven
in
God de Alomtegenwoordige,
de
Alvermogende.
En
nu komt Hij mijn leven
binnen,
zo gering,
zo
aards en kwetsbaar
als
een boreling.
Verwonderd
geef ik Hem
de
naam Jezus – God redt –
en
hij is kind aan huis
bij
mij, Jozef van Nazareth.
Ik,
die de jongen
niet
meer leren kan
dan
dit: een leerjongen te zijn,
een
handwerksman.
Dat
ik een kind van God ben
durf
ik nauwelijks te geloven,
maar
dat Hij nu mijn kind wil zijn,
gaat
mijn begrip te boven.
(Jaap
Zijlstra)
